Geschiedenis (3/3)
In eo tempore

Opgedragen aan Ing. Eddy Van Dyck, studentenvader van Technica.

Men kan zich de vraag stellen of het inderdaad wel zo een fijne tijden waren, óf dat de mantel der liefde veel wrange herinneringen bedekt met een vals gevoel van behaaglijkheid.

Velen die hun studies aangevat hebben in dat onooglijk lelijke gebouw in de Crickxstraat zullen er met gemengde gevoelens aan terugdenken. Een tot school omgebouwde oude jeansfabriek, zonder enige parkeergelegenheid, voorzien van een erbarmelijke akoestische isolatie, en dat in een straat waar elke dag een bedrijvigheid van formaat was. Smalle draaitrappen waar elke dag een 300-tal studenten zich van het ene klaslokaal naar het andere moesten verplaatsen en dit over drie verdiepingen. Muffe, nauwelijks aangepaste vroegere naaiateliers waar je technisch tekenen kreeg en een “refter”, de naam eetzaal onwaardig, waar amper 100 mensen konden zitten.

Precies deze povere infrastructuur maakte dat elke vlucht uit deze grauwe werkelijkheid als een feest werd ervaren, en welk beter alternatief dan een studentenclub? Ad Fundum verzorgde er de cursusdienst en kon op die manier met de eerstejaars een persoonlijk contact onderhouden. Gespreksonderwerp van die eerste weken was begrijpelijkerwijze dan ook: de doop!

De voordoop bestond uit een fikse wandeling. Hand-in-hand spoorde ons “treintje” van aan de Crickxstraat tot aan “de Chomé Wijns” met als verplichte nummers, het in een berg zand verzamelen van alle sokken en schoenen en het obligate plassen tegen de muur van het Chomé Wijnsinstituut. De Brusselse trams reden toen nog op kraaknette sporen, door onze schachten met een tandenborstel geschrobd. Nadien liep het café van Jeanneken weer vol en werd er onder pot en pint druk gediscussieerd of we ons na dit intermezzo wel gingen laten dopen. Het was immers zo dat je voor de voordoop gewoon uit de les geplukt werd, en slechts enkelen dachten eraan te vluchten. De meerderheid vond het na enig gepalaver toch wijselijker aan de doop deel te nemen, teneinde een eventuele nadoop te vermijden, die je als een zwaard van Damocles boven het hoofd hing. Uiteraard heeft er nooit enige nadoop plaatsgevonden, maar als domme schacht weet je niet beter...

Bijna niemand ging op café, iedereen sprak van “Bij Jeanne” en de zaak zat ‘s middags altijd afgeladen vol. Het cliënteel bestond uit arbeiders van de nabijgelegen garage, enkele laatstejaars van de technische humaniora, tientallen studenten en enkele trouwe stamgasten zoals elk Brussels café ze wel had. Menig stamgast was zelfs aanwezig tijdens de cantussen en wat me na al die jaren nog helder voor de geest staat is die ongelooflijke geest van kameraadschap en verbondenheid tussen al die verschillende mensen. Brussel was toen nog een bruisende stad...

Goeie ouwe Désiré, Arthur, jullie waren een verrijking voor ons jonge studentenleven.

Regelmatig sprong er al eens een ancien ter hulp als Jeanneken het wat te druk kreeg in de zaak, doch deze goede gewoonte zette zich ook in de avondlijke uurtjes verder. Johan Pint, Bruno Reymen, Benny Smeyers, Jean-Marie Baesberg waren slechts enkelen van de vele illustere tooghangers die zich schaarden rond een levensgrote Manneken Pis die weliswaar geen water maar Guinness te voorschijn toverde. Soms trokken we met een gitaar onder de arm bij Jeanne om onze cantus kunsten te vervolmaken, dan weer hielden we caféspelen alwaar snelheidsrecords gebroken werden in het doorzwelgen van hardgekookte eieren, ja soms gingen we er zelfs gewoon een pintje drinken...

En dit alles onder het waakzame oog van Eddy Van Dyck. “Den Eddy”, plechtstatig in zijn houding, erudiet in zijn woorden, gezellig in de omgang en steeds haarscherp en to-the-point in zijn analyses. Eddy was al een studentenvader nog voor het woord uitgevonden werd en ik mag zeggen dat zijn vermogen om alles koel en nuchter te relativeren menigeen met beide voeten terug op de grond bracht. Als hij zijn vertrouwde pijp uit de mond nam, dan kon het gebeuren dat je misschien niet ging houden van wat hij te zeggen had, maar luisteren deed je. En óf je gelijk had, Eddy.

Toen Jeanneken dan op pensioen ging en haar café overliet ging er met haar ook een deel van de sfeer verloren. Manneken Pis stond er nog steeds op zijn voetstuk, aan de muur getuigden nog steeds foto's van een rijk verleden, maar achter de toog was er een leemte die niemand scheen te kunnen invullen. Uitkijken dus naar een nieuw lokaal.

En dat vonden we in “'t Konvent”, een hoekcafé op de Bergensesteenweg, ietwat verderop gelegen. 't Konvent werd opengehouden door een oud-student, pro-senior van de club en het was er fijn vertoeven. Menig cantus en filmavond werd er gegeven, het was een café voor en door Technica, doch problemen met de administratieve papiermolen zetten al vroegtijdig een punt achter dit toch wel unieke project.

Auteur: Marc 'Zarre' Gosseye